Hoofdinhoud

 

Logische samenwerking

De aanleiding voor de verkenning naar een nutriëntenhub ligt onder meer in de veranderende mestwetgeving. Door de afbouw van de Europese derogatieregeling mogen melkveehouders minder dierlijke mest op hun eigen land uitrijden. Hierdoor ontstaat een groter mestoverschot dat ergens moet worden afgezet. Volgens melkveehouder Ad van Rees, betrokken vanuit Groene Cirkels, knelt het daar: ‘Aan de ene kant wordt mest gezien als een overschot dat afgevoerd moet worden, terwijl het tegelijkertijd een product is met waardevolle voedingsstoffen voor de bodem.’

Omdat de Alblasserwaard, met veel melkveebedrijven, en het Eiland van Dordrecht, met voornamelijk akkerbouw, vlak bij elkaar liggen zou regionale samenwerking logisch zijn – daarom worden de mogelijkheden van een nutriëntenhub verkend.

 

Betere afstemming

Hoewel de term nutriëntenhub doet denken aan een fysieke opslagplaats voor mest, benadrukken betrokkenen dat de kern van het initiatief breder is. Het gaat vooral om samenwerking, kennisuitwisseling en het beter op elkaar afstemmen van vraag en aanbod. Akkerbouwer Pieter van Damme, voorzitter van LTO Eiland van Dordrecht, vindt dat de discussie over mest nog te vaak draait om afzet en prijs. ‘Je wilt geen dumpplaats zijn waar iemand tegen betaling zijn mest kwijt kan. De bodem moet leidend zijn. Het gaat erom welke meerwaarde mest heeft voor bodemkwaliteit, bodemleven en gewasgroei.’

Volgens hem beschikken akkerbouwers en veehouders nog onvoldoende over elkaars kennis als het gaat om mestkwaliteit en bodembehoeften. Juist daar ligt de grootste kans voor samenwerking.

 

Voordelen voor veehouders

Voor de melkveehouders biedt een nutriëntenhub in de eerste plaats meer zekerheid over de afzet van mest. Door de strengere regelgeving wordt het steeds belangrijker om betrouwbare afzetmogelijkheden te hebben binnen de regio. Daarnaast kan een centrale aanpak leiden tot efficiëntere logistiek

Mest kan bijvoorbeeld al in de herfst en winter naar opslaglocaties in het akkerbouwgebied worden gebracht, waardoor piekbelasting tijdens het groeiseizoen wordt voorkomen. Daarmee ontstaat ook tijd om meer aandacht te besteden aan de mestkwaliteit.

Mest in veld

Als akkerbouwers gericht vragen naar bepaalde eigenschappen van mest, krijgen veehouders meer informatie om de kwaliteit van hun product verder te verbeteren en zich daarmee te onderscheiden.

 

Voordelen voor akkerbouwers

Voor de akkerbouwers biedt de samenwerking toegang tot een regionale bron van organische meststoffen die kunnen bijdragen aan een gezonde bodem en een beter gebruik van nutriënten. Een belangrijk voordeel is dat mest beter kan worden afgestemd op de behoefte van gewassen. Als analyses en kwaliteitsmetingen vooraf beschikbaar zijn, kunnen akkerbouwers gerichter bemesten en beter inspelen op de behoeften van hun bodem.

Daarnaast zorgt centrale opslag voor een betrouwbaardere beschikbaarheid van mest op het moment dat dat nodig is. Dat voorkomt last-minute regelwerk en maakt de planning eenvoudiger.

 

Gezamenlijke voordelen

De grootste winst zit in het versterken van regionale kringlopen. Nutriënten blijven langer binnen de regio en worden efficiënter benut. Dat vermindert de noodzaak om mest over grotere afstanden te vervoeren wat leidt tot minder transportbewegingen. Daarmee komt er ook meer ruimte om op termijn nog meer samenwerkingen te ontwikkelen. De akkerbouwers zouden bijvoorbeeld gewassen kunnen leveren die geschikt zijn als veevoer, terwijl de veehouders hoogwaardige mest terugleveren aan de akkerbouw. Van Rees: ‘Daarmee krijg je eigenlijk de kringloop terug die vroeger op gemengde bedrijven gewoon was. Door specialisatie zijn akkerbouw en veehouderij steeds verder uit elkaar gegroeid. Nu zoeken we elkaar weer op.’

 

 

Ad van Rees: ‘Daarmee krijg je eigenlijk de kringloop terug die vroeger op gemengde bedrijven gewoon was. Door specialisatie zijn akkerbouw en veehouderij steeds verder uit elkaar gegroeid. Nu zoeken we elkaar weer op.’

Foto: Ad van Rees met zijn koeien

De komende periode onderzoekt Connecting Agri&Food, onderdeel van agrarisch adviesbureau DLV, welke vorm van samenwerking het beste past bij de regio. Daarbij wordt gekeken naar logistiek, opslagmogelijkheden, organisatie, kosten en de wensen van akkerbouwers en veehouders. Van Damme benadrukt dat de verkenning niet uitgaat van een vooraf vaststaande oplossing. ‘Misschien blijkt uiteindelijk dat een fysieke hub nodig is, maar misschien ook niet. Het kan best zijn dat de grootste winst zit in betere samenwerking en kennisuitwisseling tussen boeren.’

 

Groeimodel

Wat de uitkomst ook wordt, de initiatiefnemers zijn het over één ding eens: de toekomst van een regionale nutriëntenkringloop begint niet bij een silo of opslagplaats, maar bij wederzijds begrip, vertrouwen en aandacht voor kwaliteit. Als die basis er is, kan een nutriëntenhub uitgroeien tot een model waar ook de zeven andere landbouwgebieden in Zuid-Holland hun voordeel mee kunnen doen – reden waarom provincie Zuid-Holland het initiatief ondersteunt met tijd en geld. ‘Dat werd overigens zeer gewaardeerd door de onderzoeker van DLV,’ besluit Van Rees. ‘Hij komt uit een andere provincie en had nog nooit meegemaakt dat een overheid zich op zo’n netwerkende manier presenteerde – dat kan alleen in Groene Cirkels!’