Kruidenrijk grasland: kansen voor natuur en boerenbedrijf
Onderzoek binnen Groene Cirkel Kaas en Veenweide laat zien wat extensief kruidenrijk grasland kan opleveren, waar de maatregel de meeste kans heeft en wat boeren en de partijen om hen heen nodig hebben om het beheer vol te houden.
Kruidenrijk grasland biedt ruimte aan planten, insecten en bodemleven. Tegelijkertijd moet het voor de boer bruikbaar voer opleveren voor het melkvee. Hoe die functies samengaan, vormt de rode draad in het onderzoek van Wageningen University & Research (WUR). Tussen 2020 en 2022 onderzocht WUR percelen van 29 boeren in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Het hoofdrapport verscheen in juli 2024. Naturalis onderzocht in 2022 en de jaren daarna welke insecten op kruidenrijke en reguliere percelen werden waargenomen en publiceerde de resultaten op 9 januari 2026.
Welk kruidenrijk grasland is onderzocht?
Het onderzoek richtte zich op blijvend, extensief beheerd grasland met veel plantensoorten die van nature in het gebied voorkomen. ‘Blijvend’ betekent hier dat het grasland langer dan tien jaar niet is gescheurd. Productieve mengsels met enkele ingezaaide grassen en kruiden vielen buiten het onderzoek. Centraal stond grasland dat door jarenlang extensief beheer is ontstaan, met aandacht voor twee functies: biodiversiteit ondersteunen en voer leveren binnen een melkveebedrijf.
De onderzoekers beschreven de percelen op een schaal van fase 0 tot en met 5:
· Fase 0 –1: productiegrasland, vooral met Engels raaigras
· Fase 2: een mix van grassen
· Fase 3: een mix van grassen en kruiden
· Fase 4: bloemrijk grasland
· Fase 5: zeer voedselarm schraalland met de meest zeldzame soorten
Van fase 0 tot en met 4 neemt het aantal soorten toe, terwijl fase 5 de meest zeldzame soorten heeft. Het onderzoek volgde vooral percelen in fase 3 en 4 en voor een deel van de metingen diende fase 0 –1 als vergelijking.
In totaal vonden de onderzoekers 106 plantensoorten, waarvan moeraskartelblad en kamgras op de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare soorten staan.
Op bloemrijkere percelen werd minder gras gemeten
Beheer, soortensamenstelling en opbrengst bleken duidelijk met elkaar samen te hangen. Percelen die vaker werden bemest, gemaaid en beweid, leverden meer gras en een hoger eiwitgehalte op. Daartegenover stonden gemiddeld minder plantensoorten en een kleiner aandeel kruiden. De metingen naar beheer en opbrengst zijn uitgewerkt in het hoofdrapport.
De jaaropbrengst is uitgedrukt in ton droge stof per hectare per jaar. Droge stof is het gewicht van het gras zonder water. De gemeten opbrengst verschilde sterk per fase:
· Fase 3: 5 tot 14 ton droge stof per hectare per jaar
· Fase 4: 3 tot 7 ton droge stof per hectare per jaar
Regulier productiegrasland had gemiddeld een hogere energie- en eiwitwaarde dan de onderzochte kruidenrijke percelen. Voor boeren is het van belang welk deel van het kruidenrijke gras bruikbaar is als voer.
De bodemmetingen lieten zien dat de kruidenrijke percelen ook onder de grasmat verschilden van productiegrasland. Vergeleken met productiegrasland bevatte de bodem onder kruidenrijke percelen tot 43 procent minder fosfor dat planten direct kunnen opnemen, en twaalf keer zoveel mycorrhizaschimmels. Deze schimmels leven samen met plantenwortels en helpen planten om water en voedingsstoffen op te nemen. Volgens de onderzoekers wijzen deze metingen op een langzamere en meer gesloten kringloop, waarin minder voedingsstoffen verloren gaan en planten beter bestand zijn tegen droogte. Op de kruidenrijke percelen werden meer plantensoorten gevonden, maar daar lag de grasopbrengst gemiddeld lager.
Begin waar ontwikkeling kansrijk is
Het omploegen van de grasmat en opnieuw inzaaien wordt op veengrond afgeraden. Grondbewerking kan de afbraak van veen en de uitstoot van CO₂ namelijk vergroten. Ook zaaien in de bestaande grasmat geeft weinig zekerheid, omdat de ingezaaide kruiden op voedselrijke grond vaak worden verdrongen door het aanwezige gras.
De aanbevolen route is verschraling: de hoeveelheid voedingsstoffen in de bodem geleidelijk verlagen. Dat gebeurt door weinig of niet te bemesten, te maaien en het maaisel af te voeren. Op een perceel dat al soortenrijk is, kan een kleine hoeveelheid vaste mest helpen om de opbrengst op peil te houden. Ontbreken gewenste soorten in de bodem en omgeving, dan kan maaisel van een nabijgelegen kruidenrijk perceel zaden aanvoeren. De onderzochte route naar kruidenrijk grasland wordt in het rapport verder toegelicht.
Grasland met een mix van grassen en kruiden is volgens het rapport met geduld te ontwikkelen. De stap naar bloemrijk grasland is op veengrond veel moeilijker. Door de afbraak van veen en de grote hoeveelheid fosfaat in de bodem kan de ontwikkeling jarenlang worden geremd. De aanbevelingen uit het rapport beginnen daarom bij percelen die vroeger kruidenrijk waren of nu al minder intensief worden gebruikt. Ook slootkanten, greppels en percelen die verder van het erf liggen worden als kansrijke plekken genoemd.
Het ligt voor de hand om dit beheer te verbinden met weidevogelbeheer of een hogere waterstand op plekken die daarvoor geschikt zijn. Die doelen vragen soms om een andere aanpak. Voor de ontwikkeling van meer plantensoorten kan het nodig zijn om in de eerste jaren vaker te maaien en voedingsstoffen af te voeren. Weidevogelbeheer vraagt om rust in het voorjaar. Als een perceel in die periode wordt bemest en pas later wordt gemaaid, kan een dicht en hoog grasgewas ontstaan. Kruiden kunnen dan moeilijker met het gras concurreren. Daar tegenover staat dat eenmaal kruidenrijk, percelen zeer geschikt kunnen zijn voor weidevogels.
Wat de insectenmetingen wel en niet zeggen
De insectenmetingen van Naturalis uit 2022 en 2023 leverden geen eenduidig patroon op. Bij bedrijven waar in beide jaren beide typen grasland werden gemeten, was het geschatte totale gewicht van de waargenomen dieren in de ene helft van de vergelijkingen hoger op kruidenrijk grasland en in de andere helft op regulier grasland. Bovendien zegt insectenmassa op zichzelf weinig over biodiversiteit: daarvoor zijn ook het aantal soorten en de samenstelling van soortgroepen van belang.
In 2024 werden tijdens acht meetrondes 3.110 nachtvlinders van 199 soorten gevonden. Op kruidenrijke percelen werden over het algemeen meer nachtvlinders en meer soorten gevonden. Het rapport noemt de verschillen echter beperkt en wijst op de invloed van het seizoen en plaatselijke omstandigheden.
De uitkomsten vragen om voorzichtigheid. Bij een deel van de metingen ontbrak een regulier vergelijkingsperceel en waren gegevens over weer, recent maaien en omgeving niet volledig. De rapportage concludeert daarom dat kruidenrijk grasland wel waarde kan hebben voor insecten, maar dat er geen vast effect voor elk perceel en elk jaar is aangetoond. Voor een goed beeld moeten metingen meerdere jaren beslaan en consequent gegevens verzamelen over de diversiteit van soorten en soortgroepen.
Bedrijf en vergoeding bepalen wat haalbaar is
De gesprekken over de bedrijfsvoering zijn gebaseerd op interviews met vijftien veehouders en een workshop met twintig boeren. De geïnterviewde veehouders hadden allemaal minstens tien jaar ervaring met agrarisch natuurbeheer. De uitkomsten laten daardoor vooral zien wat ervaren deelnemers kunnen inpassen.
De onderzoekers onderscheiden vier bedrijfsstijlen. Deze zijn gericht op hoge melkproductie, op lage kosten, op een combinatie van landbouw en natuur, of op een bedrijfsvoering waarin landbouw en natuur vergaand zijn verweven. In de praktijk combineren veel boeren meerdere onderdelen van verschillende stijlen. Boeren met een hoge melkproductie zeiden ongeveer 10 procent kruidenrijk grasland te kunnen inpassen. Boeren die landbouw en natuur combineerden, noemden rond 25 procent. Sommige biologische en extensieve boeren werkten met veel hogere aandelen, soms wel tot 100 procent. Daarbij ging het meestal om fase 3. De meeste boeren met bloemrijk fase 4-grasland combineerden dit met regulier grasland.
Op bedrijven met een hoge melkproductie werd het kruidenrijke gras vooral gebruikt voor jongvee en koeien die tijdelijk geen melk geven. Extensievere bedrijven konden er een groter deel van hun voer uit halen. De onderzoekers adviseren overheden en ketenpartijen daarom rekening te houden met verschillen in grond, vee, voer, mest en bedrijfsvoering.
Passende vergoedingen en langere contracten
Een modelberekening uit 2024 laat zien dat kruidenrijk grasland financieel in een melkveebedrijf kan passen, maar alleen onder bepaalde voorwaarden. Lagere grasopbrengst en voerkwaliteit kunnen namelijk leiden tot extra aankoop van voer. En minder ruimte voor mest op eigen land kan de kosten voor mestafvoer verhogen. Daar moeten vergoedingen voor komen die aansluiten op deze kosten en op het bedrijf. Bij een aandeel van 25 en 50 procent kruidenrijk bleef het berekende inkomen van de twee fictieve voorbeeldbedrijven rond het uitgangsniveau. Voor het voorbeeldbedrijf met meer grond per koe was de uitkomst bij 25 procent iets gunstiger. De aangenomen hogere premie uit de eco-regeling bepaalde een groot deel van dit resultaat.
Boeren noemden in de interviews en workshops onzekerheid over toekomstige vergoedingen, veel regels en korte contracten als belemmeringen om meer kruidenrijk grasland in te passen. Zij vroegen om contracten van tien tot dertig jaar in plaats van zes jaar. Een vergoeding was overigens voor de meesten niet de belangrijkste reden om aan natuurbeheer te doen: ze doen het omdat ze het leuk vinden, graag aan de natuur bijdragen, voor de gezondheid van de dieren en/of omdat ze dat vinden horen bij hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maar volgens het onderzoek is betaling wel nodig om de bedrijven financieel gezond te houden.
De onderzoeken binnen Groene Cirkel Kaas en Veenweide laten zien dat uitbreiding van kruidenrijk grasland alleen slaagt als perceel, bedrijfsvoering en vergoeding in samenhang worden bekeken. De boer voert het beheer uit, maar heeft langjarige zekerheid nodig om dat vol te houden. Stabiele betalingen, langere afspraken en ondersteuning door overheden, ketenpartijen, terreinbeheerders en agrarische collectieven zijn daarom bepalend voor een blijvende plek van kruidenrijk grasland in het boerenbedrijf.
Dit zijn aanbevelingen voor de partijen rond het boerenbedrijf die kunnen bijdragen aan de doelen:
Overheden: stabiele betalingen mogelijk maken en ook de ontwikkeljaren vergoeden.
Ketenpartijen: natuurwaarde belonen via duurzaamheidsprogramma’s of de melkprijs.
Terreinbeheerders: langere pachtcontracten aanbieden en de kennis van pachters benutten.
Agrarische collectieven: beheer en afstemming ondersteunen en met boeren bespreken waar uitbreiding haalbaar is.